Tussen wal en schip

Vorige week in het nieuws: Kleuter van 5 verdrinkt puppy. Mijn eerste gedachte was: wat een eng kind. Om daarna meteen te denken: wat moet er van dat kind terecht komen? Want ik heb ooit zo’n kind gekend. Een kind met een hersenbeschadiging, opgelopen tijdens de geboorte. Met een vader die hem negeerde en een moeder die niet wilde toegeven dat haar kind ‘anders’ was. Want hij was anders en dat kon je hem niet kwalijk nemen. Kinderen in de buurt waren bang voor hem, omdat hij ze tot bloedens toe kneep. Mijn moeder gaf mijn broertje de raad mee om, bij een dergelijke actie, meteen een tik terug te geven. Die tik heeft ervoor gezorgd dat dat jongetje maar één vriendje had waar hij tegenop keek en dat was mijn broertje. Het mannetje kwam daarna veel bij ons over de vloer en hij moet dat, terugkijkend op die periode, als een veilige omgeving hebben beschouwd. Hij noemde mijn ouders oom en tante en wist dat er bij ons thuis duidelijke regels waren over wat er wel en wat er niet kon.
Waar ik het eerst aan moest denken toen ik het puppy-nieuws las, was de cavia. A, laten we hem voor het gemak maar zo noemen, was ervan overtuigd dat cavia’s kunnen stuiteren. Nu geef ik toe dat die beesten in opgerolde vorm veel op een tennisbal lijken, maar stuiteren doen ze toch echt niet. De cavia heeft het stuiteravontuur niet overleefd, maar A was zich geen kwaad bewust want hij was heilig overtuigd van zijn gelijk. Dat hij het arme beestje pijn heeft gedaan, kwam niet in hem op.

Kleine jongetjes worden groot en voor A betekende dat dat ook de problemen groter werden. Was hij op de lagere school al een buitenbeentje, op de middelbare school werd dat niet veel beter. Hij wilde er graag bij horen en deed zich stoerder voor dan hij in werkelijkheid was. Andere jongens daagden hem uit om idiote en gevaarlijke dingen te doen, hij zei nooit nee. En dat terwijl hij doodsbang was, helaas was de drang om er bij te horen groter dan zijn angst.
Als jongvolwassene kon A geen baan houden, want hij hield zich nooit aan de afspraken. Andere mensen, van het nare soort, maakten graag misbruik van hem voor hun eigen gewin. Want A was te bang om tegen te sputteren. Hij is jong overleden, op een pijnlijke manier, alleen in zijn eigen huisje. Mijn moeder zei, toen ze het nieuws hoorde: wat moet dat kind bang zijn geweest. Want voor ons bleef hij altijd dat kleine kind. Te goed voor een inrichting, maar te slecht om in de ‘normale’ maatschappij mee te draaien. Voor het kereltje dat de puppy heeft verdronken, hoop ik dat hij adequate hulp krijgt. Anders ben ik bang dat ook hij tussen wal en schip beland.